Nieuws

Ziekmelden en privacy

Ziek is ziek, daar doe je weinig aan. Heb je werk, dan moet je je werkgever ongelukkig maken en zeggen dat je ziek bent. Werkgevers willen dan graag zo precies mogelijk weten wat een werknemer heeft en waar zij rekening mee moeten houden. Maar zo’n ziekmelding, daar gelden allerlei regels voor. Die regels worden sinds de inwerkingtreding van de AVG ineens ook een stuk belangrijker – niet naleven kan immers voor een boete zorgen.

Wat mag? Als werkgever mag je vragen hoe lang de werknemer denkt uitgeschakeld te zijn, en welke werkzaamheden moeten worden overgedragen – en dat is het wel zo’n beetje. Als de werknemer misschien nog wel een deel van zijn werkzaamheden uit kan voeren, als dan niet aangepast, dan mogen werkgever en werknemer het daar wel over hebben, maar alleen op initiatief van de werknemer. Er mag geen druk op de werknemer worden uitgeoefend om toch te komen werken.

Voor de werknemer is het dus goed te bedenken dat je alleen maar hoeft aan te geven dat je ziek bent, je hoeft niet te zeggen wat er aan de precies aan de hand is. Ziek is immers ziek. Als goed werknemer moet je wel proberen de gevolgen van die ziekte voor de werkgever te minimaliseren, maar niet ten koste van je gezondheid of van je privacy.

Als er afspraken gemaakt worden, dan mag alleen het deel over de werkafspraken worden vastgelegd. Klachten, beperkingen of een diagnose, als die al gemeld zijn, mogen niet worden vastgelegd, in het kader van de privacywetgeving.

Het komt gekunsteld over, maar het is wel duidelijk. Alleen wat met het werk te maken heeft mag besproken worden.

Het complete plaatje is door de rijksoverheid vastgelegd en hier te downloaden.

Weigeren omgang in het strafrecht?

De Tweede Kamer maakt zich druk over ouders die niet meewerken aan de omgang tussen hun kinderen en de andere ouder. Er wordt geroepen om hulp in het wetboek van strafrecht om die omgang alsnog af te dwingen. Gooi de politie maar in de strijd!

Maar: het staat al in het wetboek van strafrecht. Het onttrekken van het kind aan het wettelijk over hem gestelde gezag is al strafbaar (art. 279 Sr), maar daar doen we bijna nooit iets mee. En de rechter doet normaal gesproken ook maar weinig met dwangsommen en nog minder met gijzeling, als een ouder niet meewerkt. Het familierecht leent zich ook niet voor draconische maatregelen: die treffen niet alleen de niet-meewerkende ouder, maar ook het te beschermen kind. Die maakt mee dat papa of mama door de politie wordt afgevoerd. En dat is de schuld van de andere ouder.

We moeten beter omgaan met de mogelijkheden die er al zijn. De straf op het niet meewerken aan de omgangsregeling moet bijvoorbeeld in de omgangsregeling zelf zitten: als je niet meewerkt, gaat de hoofdverblijfplaats naar de andere ouder, bijvoorbeeld. Een kind heeft recht op beide ouders, onafhankelijk van wat er tussen de ouders is gebeurd. Als het kind veilig is, heeft het er belang bij de afkomst van beide kanten te leren kennen, liefst met emotionele toestemming van beide ouders. Dat ga je via het strafrecht niet af kunnen dwingen.

Geen DNA-bewijs, toch vader

Wanneer de vader van een kind het niet vrijwillig wil erkennen, kan de moeder de rechter vragen het vaderschap vast te stellen. De rechter die beslist wil, in het belang van het kind, dan zo zeker mogelijk weten dat de aangewezen man ook daadwerkelijk de vader van het kind is.

Tegenwoordig kan je het vaderschap het meest zeker vaststellen aan de hand van DNA-onderzoek, dus een rechter zal dat meestal ook bevelen. Maar voor dat onderzoek moet je ook DNA van de vader hebben. Die kan wel eens kwijt zijn, of zich onvindbaar houden, of als hij wel gevonden is gewoon niet meewerken. Een vader kan ook overleden zijn.

Dat stelt de rechter voor een dilemma. Hoe ver moet je gaan om te kunnen zeggen dat er zekerheid is over het vaderschap? In mijn praktijk heb ik dat al eens kunnen bewijzen aan de hand van correspondentie tussen de ouders, maar heeft de rechter ook weleens bij de opdracht tot DNA-onderzoek al gezegd dat ook als de man niet mee zou werken, hij toch alimentatie moet betalen.

Het hof in Den Haag moest in deze zaak beslissen over een overleden vader. De rechter in eerste aanleg had, naar aanleiding van wel aanwezige bewijsstukken, al aangegeven dat die ook zonder DNA-onderzoek kon beslissen dat de overledene de vader was. De wens van de moeder van de andere kinderen van de man om maximale zekerheid te hebben rechtvaardigt het nadere onderzoek niet, zeker niet nu ze zelf erkend heeft dat de man zelf wist dat hij de vader was en ook daadwerkelijk voor zijn andere kinderen zorgde. Als er geen echte twijfel is, kan je ook zonder DNA.

Dat is misschien gelijk een waarschuwing voor vaders die denken onder hun verantwoordelijkheid uit te komen door niet mee te werken aan een onderzoek.

Procederen is toch een vak – ook in kantonzaken

Het idee is dat je bij geschillen over een beperkt belang zelf moet kunnen procederen bij de kantonrechter. Maar je moet dan wel weten waar je het over hebt. In deze zaak voor de rechter in Roermond was het misschien verstandig geweest als de gedaagde zich toch had laten informeren door een deskundige.

De gedaagde is lid van de ANWB en heeft zoals veel leden van de ANWB ook een reisverzekering via de website van de ANWB afgesloten. Tijdens een vakantie is hij een dure camera verloren. Het ingeschakelde expertisebureau had daarvan gezegd dat hij € 1.700,- euro vergoed zou krijgen, maar geld heeft hij nooit gekregen. De verzekeraar was het niet eens met de claim.

De gedaagde heeft vervolgens bedacht dat hij zijn lidmaatschapsbijdrage dan zou gaan verrekenen met zijn claim en hij heeft geweigerd de bijdrage van te betalen. Daar is ANWB het uiteraard niet mee eens, en zo komt de zaak voor de rechter.

Die stelt al snel vast dat de ene ANWB de andere niet is. De vereniging ANWB is niet de verzekeraar, dat is een aparte NV, Unigarant. En verrekenen mag alleen als het geld dat je moet betalen verschuldigd is aan de partij waarvan je nog geld krijgt. Dan kan je wel vinden dat alles wat ANWB heet één pot nat is, maar krijg je toch het deksel op de neus. Zonde van de kosten, zonde van de moeite. Want in plaats van de oorspronkelijke € 140,- moet er nu € 185,- betaald worden – en ruim € 400,- v00r de proceskosten. Eén gesprek tegen togatarief had dit kunnen voorkomen.

Nieuwsberichten partneralimentatie

Volgens recente nieuwsberichten, bijvoorbeeld van NOS, gaat de partneralimentatie beperkt worden tot maximaal vijf jaar, tenzij de partner kort voor het pensioen zit of er sprake is van kinderen onder de twaalf. Nu is dat nog een maximum van twaalf jaar bij huwelijken langer dan vijf jaar, of korter dan vijf jaar waar er sprake is van kinderen.

De wens om de partneralimentatie te beperken is niet nieuw en er is ook al een wetsvoorstel voor ingediend, maar dat is na kritiek van de Raad van State een stille dood gestorven. De maatschappelijke beweging om partneralimentatie verder aan banden te leggen is er wel, maar het kan nog wel even duren voordat die ook zijn plek in de wet gevonden heeft. Sommige berichten suggereren dat die beperking er al bijna door is, maar nee – voorlopig verandert er nog niets.

 

 

Gedragsregels gemoderniseerd

Alle advocaten moeten zich aan de gedragsregels voor de advocatuur houden. De laatste keer dat die gedragsregels zijn vastgesteld was nog in de vorige eeuw, in 1995. Na een evaluatieronde zijn de gedragsregels bijgewerkt. Inhoudelijk zijn er een paar dingen veranderd, maar vooral: de leesbaarheid is er behoorlijk op vooruitgegaan.

Ook benieuwd? Hier zijn ze te vinden.

De Hoge Raad op de voorpagina’s met de ontslagvergoeding

Grote koppen in de krant vorige week: ‘Individuele rechtvaardigheid is terug in het ontslagrecht’, juichte de Volkskrant, en ‘Uitspraak Hoge Raad brengt oude, ruimere ontslagregeling deels terug’, volgens de NOS. Die hield al een voorzichtige slag om de arm met het woordje ‘deels’, en dat was terecht.

De Hoge Raad heeft aangegeven dat het niet alleen maar gaat om een straf voor de werkgever die iemand onterecht ontslagen heeft, maar dat bij het bepalen van de billijke vergoeding best gekeken mag worden naar de gevolgen die het ontslag voor de werknemer heeft – als een van de vele omstandigheden die een rol spelen bij het prikken van het vergoedingsbedrag.

Bovendien gaat het hier niet om de transitievergoeding die in de plaats gekomen is van de ruimere kantonrechtersvergoeding, wat gesuggereerd lijkt te worden, maar om de vergoeding die bepaald wordt wanneer er sprake is van onregelmatigheden bij het ontslag, zoals in dit geval, waarbij is opgezegd zonder toestemming van het UWV of de kantonrechter.

De billijke vergoeding blijft daarmee een onvoorspelbare factor in het ontslagrecht. Duidelijk is wel dat, wanneer je de financiële gevolgen voor de werknemer uitdrukkelijk mee mag wegen, de ruimte omhoog wel aanmerkelijk toe kan nemen. Er is dus wel degelijk reden voor wat vrolijkheid. Maar de jubelstemming in de media? Beetje overdreven.

Bij bijstandsuitkering toch geen minimum kinderalimentatie

In de draagkrachttabel 2017 van de rechtbank staat het helder: bij een netto besteedbaar inkomen van € 0,-  tot € 1.325,- per maand is er sprake van een minimumdraagkracht van maximaal € 50,- per maand voor meerdere kinderen.

Niet waar, zegt het Hof in Arnhem. Het uitgangspunt is wel dat beide ouders verplicht zijn om naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen, maar dat houdt toch nog steeds in dat een ouder ten minste het bestaansminimum voor zichzelf moet kunnen houden. En dat bestaansminimum is de bijstandsnorm, die ook het uitgangspunt is voor de bijstandsuitkering. En als een vader moet rondkomen van alleen een bijstandsuitkering, houdt dat per definitie in dat hij niet bij kan dragen aan het levensonderhoud van zijn kind.

Omdat de moeder voor de kosten van de kinderen zowel kinderbijslag als kindgebonden budget ontvangt, kan ook zijn in haar bestaansminimum voorzien.

In deze beslissing speelt mee dat de moeder met het kindgebonden budget en de kinderbijslag in de berekende kosten van het kind kan voorzien. Het blijft echter raar dat een ouder, ondanks de vaststelling van de minimumbijdrage in de tabel, geen enkele bijdrage in het levensonderhoud van zijn kind hoeft te betalen. Het zou nog anders zijn geweest wanneer er sprake was van een zorgkorting, maar in de uitspraak blijkt niet dat daarvan sprake is.

Nog een keer: de deurwaarder en de ziektekostenclaim

Op 22 maart schreef ik al over een ziektekostenverzekeraar die pas heel laat in de procedure precies vertelde waarom de verzekerde drie jaar na dato nog geld moest betalen.

Opnieuw ligt er nu een uitspraak, in een zaak van dezelfde verzekeraar en dezelfde deurwaarder, en ook in deze zaak wordt niet meer genoemd dan een datum en de tekst ‘ziekenhuis hulp’. In dit geval blijft de verzekerde echter volhouden dat er na het beëindigen van de verzekering volgens VGZ zelf niets meer open stond, en dat ze ook geen idee heeft waarvoor de facturen zouden moeten zijn.

Waar de rechter eerder concludeerde dat als de behandeling niet betwist wordt, er kennelijk betaald moet worden, zegt die nu dat zonder verdere specificatie niet duidelijk is welke zorgverlener zorg heeft verleend, en om welke zorg het eigenlijk gaat. En omdat VGZ ook niet weersproken heeft dat er eerder gezegd is dat er niets meer open staat, wordt de vordering afgewezen.

Mijn vertrouwen is weer een beetje hersteld. Maar het blijft raar dat een ziektekostenverzekeraar met zo weinig informatie toch naar de rechter gaat.

Schoolverzuim en ziekte niet zomaar grond voor ots

In het algemeen is veel schoolverzuim reden om eens goed te kijken of het met de ontwikkeling van een kind wel goed gaat, en of er geen extra zorg ingeschakeld moet worden. Maar niet altijd kan de hulpverlening beter optreden dat de eigen ouders van het kind.

In deze zaak was een heel gezin ziek geworden, de kinderen ernstiger dan de ouders. Na onderzoek bleek dat ze het slachtoffer waren van een maagbacterie, waarbij het ook lastig bleek voor een van beide kinderen de goede behandeling in te zetten. Tijdens hun ziekte waren de kinderen niet op school. Bij terugkeer bleek een van beide kinderen op school niet meer goed te passen, waarna voor hem een beter passende school is gevonden – dit alles in overleg met de leerplichtambtenaar.

De Raad voor de Kinderbescherming wilde een ots om toezicht te kunnen houden op de kinderen en hun ontwikkeling. In eerste instantie is de rechtbank daarin meegegaan, maar het hof vindt dat niet voldaan is aan de gronden voor ots. De ouders hebben misschien andere keuzes gemaakt dan de betrokken gezinsvoogd zou willen, maar de kinderen doen het goed op school, de ouders zijn betrokken bij hun kinderen, en de school ziet geen enkele aanleiding om contact op te nemen met de kinderbescherming.

Alleen de wens om toezicht te houden op de ontwikkeling van de kinderen is niet genoeg om de ots te rechtvaardigen. De ouders konden aantonen dat ze stevig aan het roer stonden bij het aanpakken van de ontwikkelingsbedreigingen van hun kinderen, en dat de scholen van hun kinderen daar positieve berichten over hadden. Het hof wijst daarom het verzoek af.